ContactInloggen
 
Visie van onze school, waar staan wij voor
  
 
De visie op ons onderwijs is uitgewerkt in de volgende 12 visiepunten:
 
 
Visiepunt 1:
Wij kiezen bewust voor openbaarheid.
Dit blijkt uit:
  1. Algemene toegankelijkheid. Dit betekent dat de school in principe openstaat voor iedereen  met respect voor ieders cultuurgoed en levensbeschouwing .
  2. Ruimte voor levensbeschouwelijke lessen. ( De school draagt inhoudelijk hiervoor geen verantwoordelijkheid.)
  3. Een criterium bij de keuze van een nieuwe methode: Aandacht voor levensbeschouwelijke en geestelijke stromingen.
  4. Actieve betrokkenheid op de Dag van het Openbaar Onderwijs van SOPOGO.
  5.  Leerkrachtgedrag:
    1. Weet verschil openbaar en bijzonder goed te verwoorden, ook 
      naar de kinderen toe.
    1.  Houdt eigen politieke/ levensbeschouwelijke voorkeuren in de klas in het midden.
    2. Spreekt iedereen aan op onrespectvol gedrag t.o.v. anderen.
 
 
Visiepunt 2:
Wij kiezen voor kwaliteit .
 
Dit blijkt uit:
A. Materiaalkeuze voor alle leer- en vormingsgebieden.
a.    We streven naar de o.i. beste kwaliteit.
b.    Dit geldt zeker ook voor de creatieve vakken en ons bewegingsonderwijs.
c.    Het principieel weren van reclame verpakt in lesmateriaal.
d.    Actieve oriëntatie op hetgeen de markt biedt.
e.    Slechts de in gezamenlijkheid gekozen leermiddelen worden ingezet.
B. Bewaking lessentabel.
a.    Evenwichtige spreiding ontwikkelingsdomeinen.
b.    Werken conform de geplande tijdsinvestering.
c.    Pauze ook als pauze gebruiken.
C Bewaking kwaliteit team.
a.     We streven naar een evenwichtig samenstelling, t.w. man/vrouw, leeftijd, extra competenties.
b.     Competenties in overeenstemming met beleid en beleidsvoornemens.
c.     Qua persoonlijkheid passend binnen het team.
D. Deskundigheidsbevordering door gebruik te maken van samenwerkingsverbanden.
           a.      Presentie op vergaderingen met externe contacten, bijv. Voortgezet
                    onderwijs, GGD, WSNS.
b.     Actieve houding in MR en GMR.
c.     Deelname aan interessegroepen in WSNS- en SOPOGO-verband,
        e.e.a. passend binnen de normjaartaak.
 
 
Visiepunt 3:
Wij kiezen voor veiligheid ( veilig klimaat ) en een daarbij behorend zorgniveau
 Hierbij onderscheiden we drie domeinen, t.w.
  1. Emotionele veiligheid,
  2. Lichamelijke veiligheid,
  3. Cognitieve veiligheid.
 
Eén blijkt uit:
    1. Dagelijkse handhaving van ons pestprotocol,
a.    Ons protocol krijgt een prominente plaats in de klas,
b.    Alle leerkrachten kennen de kwetsbare kinderen, o.a. pesters en gepesten
       ( oriëntatie o.a. via het snoetenboek)
    1. Positieve, respectvolle houding lkr. – ll., ll.- lrkr., ll.-ll., l.kr.-lkr. lkr.-ouder, ouder-ouder.
a.    Toon waarop gecommuniceerd wordt,
b.    Verhouding correctie: positieve aandacht = > 1:3,
c.    Handhaving gedragsregels,                            
                  C.   Voorkomen van falen/ faalangst:
a.    Leerstof op maat,
b.    Goede zorgstructuur, incl. evaluatie.
c.    We zijn ons bewust van en houden zoveel mogelijk rekening met de 8 vormen van intelligentie.
                  D. Uniforme hantering door de gehele school van de afspraken:
a.    Het afsprakenboek is geen dood document,
b.    Alle docenten weten zich verantwoordelijk voor alle leerlingen.
Twee blijkt uit:
                   A.   Handhaving arbo-beleid,
a.    Jaarlijkse schoolverkenning door veiligheidscommissie ( lkr.+ouder)
b.    Planning uitvoering verbeterpunten algemene schoolverkenning,
c.    Permanente aandacht van onze 8 BHV-ers,
                   B. Vermijden van gevaarlijk spelgedrag;
a.    Omschrijving van ongewenst spelgedrag,
b.    Handhaving pleinregels,
c.    Promoten van juist spelgedrag/ juiste spelletjes,
                   C. Aandacht voor veiligheid van en naar school;
a.    Kinderen bewust maken van de concrete gevaren op de route,
b.    Ouders in algemene aanspreken op gevaarlijk gedrag van henzelf of hun kind,
c.    Aandringen op het gebruik van een veilige fiets,
d.    Ondersteunen van het verkeersteam “ Veilige routes naar school.”
e.     
Drie blijkt uit:
                     A. Voor elk kind toegankelijke en boeiende leerstof,   
a.    Goede differentiatie in niveau, omvang en tempo van de leerstof,
b.    Variatie in verwerkingsvormen.
                    B. Een goed vangnet voor laag- en hooggetalenteerden,
a.    Correcte uitvoering LVS, incl. zorgprotocol.
b.    Evenwichtig lesrooster.
c.    Voldoende tijd voor RT- en/of IB- en/of MRT- werk in en buiten de groep.
    1.  Een klassenmanagement dat gelaagde instructie bevordert,
a.    De kinderen zijn geoefend in het zelfstandig werken.
b.    De kinderen zijn geoefend in het samenwerken.
c.    De leerkracht beheerst deze vorm van instructie en klassenmanagement.
 
                          N.B.         Het zelfstandig werken en het samenwerken passen we
                                        nadrukkelijk toe als een middel om de gelaagde instructie en            
                                        de RT te kunnen managen. Het is dus geen doel op zich.
 
Visiepunt 4
Wij kiezen voor het accent op de hoofdvakken.
Dat betekent dat we vanaf groep 1 bijzonder veel aandacht besteden aan taal, lezen en rekenen.
 
Dit blijkt uit:
A. De lesroosters.
a.    Tijd hiervoor is minstens 60 %.
b.    Evenwichtige verdeling van de vakken over de dag.
B. Prominente rol LVS.
a.    Consequent gebruik van methodegebonden en niet-methodegebonden toetsen.
b.    Complete notatie van de signaleringen, de handelingsplannen en de evaluaties + e.v.t. vervolg.
c.    Aanschaf van de o.i. beste ijkmaterialen.
d.    Nauwgezet volgen van de leerlijnen.
e.    Aantoonbare resultaten overeenkomstig de capaciteiten van de leerlingen.
C. Ruime investeringen in kwaliteitsmaterialen
a.     Compleet inrichting voor al deze ontwikkelingsaspecten.
b.     Permanente zoekattitude bij alle medewerkers naar verbeteringen.
c.     Moderne, aantrekkelijke leermiddelen.
d.     Inzet van multimedia, m.n. de computer.
 
 
 
 
 
Visiepunt 5:
Wij kiezen voor structuur. 
Dat betekent dat leerkrachten in redelijke mate uniformiteit nastreven m.b.t. hantering van regels en aanpakken.
 
Dat blijkt uit:
 
A.     De leerstofkeuzes/ materialen in grote lijnen vaststaan.
a.    Volgen van de leerlijnen.
b.    Uniforme uitvoering van het zorgprotocol.
c.    Uniforme aanpak voor de zorgleerling.
B.      Redelijk uniforme hantering van regels.
a.    Uniforme toepassing regels op schoolniveau.
b.    Redelijk uniforme toepassing van regels op groepsniveau.
c.    Het zich eigen maken van het regel- en snoetenboek.
d.    Collectieve beleving van de verantwoordelijkheid voor het geheel.
C.     Goede doorgaande lijnen met m.b.t. de leerlingenzorg.
a.     Gedigitaliseerd LVS, ook te benaderen vanuit werkplek thuis.
b.     Veel aandacht voor de overdracht van leerlingen.
c.     Frequente leerling-bespreking in de bouwvergaderingen.
D.     Het leerstofjaarklassensysteem, waarbij de groep als geheel uitgangspunt van
         handelen is.
     a.    Na een kringgesprek of een klassikale aanbieding vindt een zo veel    
            mogelijk op elk kind toegesneden verwerking/begeleiding.
                         b.   Zo wordt een adaptieve aanpak en een gedifferentieerde
                               verwerking in de praktijk gebracht.
 
N.B. Punt D. dient niet te worden opgevat, dat alle kinderen een eigen leerlijn in eigen tempo volgen. De klas als geheel is steeds weer vertrekpunt van handelen.
 
Visiepunt 6:
Wij kiezen voor afwisseling.
Omdat we kiezen voor structuur en het accent op de hoofdvakken leggen, bestaat het gevaar dat de schooldag voor de kinderen een te stevig karakter krijgt.
We waken echter voor overbelasting, daarom is afwisseling broodnodig.
 
Afwisseling blijkt uit:
a.    Afwisseling hoofd- en bijvakken.
b.    Handhaving lesrooster ( incl. speelpauzes)
c.    Ontspannen lesovergangen.
 
Visiepunt 7:
We kiezen voor openheid.
Dat wil zeggen dat we alle betrokkenen steeds goed informeren en dat we uitgaan van democratisch ontwikkelde beleidsaspecten c.q. beleidsvoornemens.
 
Openheid blijkt uit:
A. Een goede vergaderstructuur, incl. rapportage en evaluatie.
a.    teamvergaderingen: plenair, bouw, commissies.
b.    MR en AC.
B. Openheid naar ouders/verzorgers.
a.    Schoolgids, maandinfo, website, schoolkrant.
b.    Twee gespreksavonden over de vorderingen van de kinderen.
c.    Drie maal per schooljaar een schriftelijke rapportage in groep 3 t/m 8.
d.    Rapportage van handelingsplannen.
e.    Aan het begin van elk schooljaar een informatieavond voor alle groepen.
f.    Deelname aan oudervergadering door directie.
g.    Ouderenquête
h.    Laagdrempeligheid.
C . Duidelijke verantwoording van de relatie van nieuwe initiatieven met vastgesteld beleid.
a.      Creëren van voldoende draagvlak bij teamleden en ouders.       
b.      Openheid in een vroeg stadium van een beoogde ontwikkeling.
 
 
Visiepunt 8:
We kiezen voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en school bij de opvoeding, waarbij de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de ouders. Wat betreft de sociaal-emotionele vorming en de ontwikkeling op de andere ontwikkelingsdomeinen maakt de school haar eigen keuzes.
 
Dit visiepunt blijkt uit:
A.   Voorgaande visiepunten, m.n. vooral visiepunt drie
B.   Ruimte geven aan ouders om dispensatie toe te staan voor hun kind op godsdienstige
       gronden.
C.   dat er ruimte kan zijn voor uitzonderingen
D.   Een positieve grondhouding als klankbord voor ouders met opvoedingsproblemen.
E.   Bekendheid met de verwijsmogelijkheden.
F.   Deelname aan overleggen, scholing m.b.t. maatschappelijk werk, GGD ( Bijv.
      MIS - project)
G.   Schoolmaatschappelijk werk (2007/2008)
 
 
Visiepunt 9
We kiezen voor geleidelijkheid in ontwikkeling en reële ambities:
Dat betekent dat veranderingen pas gerealiseerd worden na zorgvuldig onderzoek, experiment en het voldoen aan de juiste voorwaarden; daarnaast vindt de implementatie van ontwikkelingen zo plaats, dat er sprake is van een gemiddelde werkdruk voor medewerkers en leerlingen.
Dit blijkt uit:
A.    We niet met alle winden meewaaien.  Noodzaak dient te blijken uit:
a.    Inspectieonderzoek
b.    Breed negatief uitvallende prestaties.
c.    Breed gedragen behoefte aan beleidswijziging.
d.    Geïndiceerd vanuit WSNS-verband, SOPOGO ( beperkt )
B.     Invoering na periode van onderzoek, experiment en voorbereiding.
a.     Bronnenstudie.
b.     Consultatie deskundigen/collega’s.
c.     Uitvoeren van pilot.
d.     Ieders competentie op vereist niveau.
C.      Implementatie van kwaliteitsverbeterende besluiten vereist een goed planning.
a.     Behoedzaam en via verdieping.
b.     Voortdurend alle medewerkers erbij betrekkend ( afspraken, evaluaties )
c.     Beperkt aantal implementaties naast elkaar. ( planning in nieuwe zorgplan en schoolplan )
 
 
Visiepunt 10
 We kiezen voor een functionele plaats van multimedia, waaronder computers in ons onderwijs.
 
Dit blijkt uit:
A        Ze worden gebruikt ter ondersteuning en ter vervanging van op papier     
           aangeboden lesmateriaal.
B        Ze worden gebruikt als mogelijkheid tot adaptief onderwijs:
a.    Als aangepaste leerlijn voor de individuele leerling.
b.    Als mogelijkheid voor differentiatie.
C         Ze worden gebruikt als creatieve verwerkingsmogelijkheid.
D         Ze worden gebruikt als extra inoefenmogelijkheid.
E         Ze worden gebruik als remediërend instrument.
F         Ze worden gebruikt om ons LVS te digitaliseren en vanuit elke werkplek te  
           kunnen benaderen.
G         Ze worden gebruikt om computervaardigheden cursorisch aan te leren.
 
Visiepunt 11
 
Visie op huisvesting:
 
Ons schoolgebouw en de schoolomgeving dienen behalve doelmatig en veilig ook sfeervol en aantrekkelijk ( concurrerend ) te zijn.
 
  1. Doelmatigheid blijkt uit:
    1. Het voldoen aan de specifieke eisen van de kleuterbouw, middenbouw en bovenbouw.
    2. De mogelijkheid te schakelen met naastgelegen ruimtes, zodat een gedifferentieerde aanpak m.b.t. werkvormen en leerruis te realiseren is.
    3. De aanwezigheid van ruimtes voor specifieke activiteiten zoals dramatische, dansante, muzikale,  beeldende, technische en lichamelijke vorming en ICT.
    4. De beschikbaarheid van opvangruimtes, grenzend aan het speelplein, waarin het jonge en het   oudere kind gescheiden actief kunnen zijn.
    5. Een voldoende aantal werk- en rustruimten voor de teamleden naast de reguliere groepsruimten, t.w.: Personeelskamer, Directiekamer, IB/RT (3).
  2. De veiligheid blijkt uit:
    1. De bevindingen na een schoolverkenning door de Arbodienst.
    2. De jaarlijkse rapportage van onze eigen veiligheidscommissie.
    3. Het keuringsrapport van Repcom m.b.t. de speeltoestellen.
    4. De opmerkingen van onze BHV-ers.
    5. De logboeken van de conciërge.
  3. De huiselijke sfeer blijkt uit:
    1. De kleurbeleving van het kind.
    2. De esthetiek van de aankleding en inrichting van het gebouw.
    3. De ordelijke inrichting.
    4. De beleving van de schoolgrootte m.b.t. tot overzichtelijkheid. (Wijkenidee )
  4. De stand van zaken m.b.t. de hygiëne blijkt uit:
    1. De controle van het nakomen van afspraken met het schoonmaakbedrijf.
    2. Het handhaven van de afspraken opgenomen in ons afsprakendossier.
    3. Het zwerfvuilzuiver houden van de pleinen.
  5. De PR-waarde blijkt uit:
    1. De directe en indirecte reacties van de zich oriënterende nieuwe ouders.
    2. De ouderreacties via de KMPO-enquête.
 
 
Visiepunt 12:
Visie op personeel
 
Een goed team is (A)evenwichtig samengesteld, bezit (B) een ruime mate van saamhorigheid en tolerantie, voelt zich (C) betrokken bij de totale organisatie, is (D)bereid zich continue te ontwikkelen en mag (D) rekening op een goed, menselijk personeels- beleid.
 
Nader aangeduid betekent dit o.a.:
  1. Er dient een zeker evenwicht te zijn in:
- aantallen dames en heren,
- leeftijdscategorieën,
- aanwezige talenten,
- deeltijders en voltijders,
- karakters.
      B. Saamhorigheid en tolerantie blijken uit:
            - betrokkenheid bij elkaars wel en wee,
            - bereidheid elkaar in het werk te ondersteunen,
            - waarderen van elkaars kwaliteiten,
            - ruimte geven aan elkaars eigenaardigheden.
      C. Men is betrokken bij de gehele organisatie als:
            - er inzet getoond wordt voor acties/activiteiten buiten de eigen groep,
            - iedereen de gekozen doorgaande lijnen bewaakt,
            - trouw de vergaderingen bezocht worden,
            - de p.r. als een gezamenlijk verantwoordelijkheid ervaren wordt.
      D. De bereidheid zich te ontwikkelen wordt bevorderd door:
            - een gedegen schoolontwikkelingsplan,
            - bij de persoonlijke behoeftes aansluitend ontwikkelingsaanbod,
            - flexibele verdeling van taken,
      E. Goed, menselijk personeelsbeleid kenmerkt zich door:
           - bewaking van de schooleigen sfeer

| [Printen] | hosting door Schoolsunited